De wereldtuin

>

Weemoed om een verdwijnende wereld


'De man die de taal van slangen sprak' is een grootse middeleeuwse fantasy die zich afspeelt in een tijdperk dat mensen nog met dieren konden spreken, druïden de wijsheid in pacht hadden en feeën over het water en de bomen heersten. Het boek is het levensverhaal van Leemet, de laatste man die de taal van de slangen sprak. Jagen was in de dichte donkere bossen van Estland in die tijd overbodig. Je had maar een paar woorden in de taal van de slang nodig om een eland uit zichzelf op de knieën te krijgen. Maar het einde van deze oude wereld naderde snel. Alle bosmensen trokken naar de dorpen en bekeerden zich. De kennis van de oude taal en de heidense rites stierven langzaam maar zeker uit. 

Leemet, de vertelfiguur in het boek, werd in het dorp geboren maar nog voor zijn eerste verjaardag trokken zijn ouders terug naar de bossen. Zijn oom Vootele leerde hem de slangentaal aan. Zijn queeste start als hij op zoek gaat de Opperkikker en onderweg allerlei wonderlijke wezens ontmoet. Ondertussen observeert hij de vreemde rituelen van de bosbewoners met argusogen. Toch is ook het dorp verlokkelijk voor de opgroeiende jongen. Hij verlangt er naar om brood en wijn te proeven en is nieuwsgierig naar de meisjes uit het dorp. Ook op amoureus vlak staat hij op de drempel van volwassenheid en moet hij een keuzen maken tussen Hiies en Magdalena. 

Andrus Kivirähk (1970) schetst in zijn bildungsroman op bijzonder burleske en parodische wijze de vrijheidsstrijd van de laatste heidenen van Estland die in de dertiende eeuw door de Duitse kruisvaarders dreigden geknecht te worden. In een heel directe vertelstijl worden de hoogtes en laagtes van het Estse volk verhaald. Het universum dat Andrus Kivirähk creeërt is sprookjeachtig maar ook onheilspellend. Vele passages zijn koortsachtig en ijl als in een koortsdroom. De geleidelijke vergetelheid van de taal van de slangen duidt ook het einde van de nauwe band tussen mens en natuur aan. De uittocht uit de oerbossen leidt naar civilisatie, maar ook naar een verlies aan vrijheid. De Esten leren het veld om te ploegen in dienst van de leenheren en vroom naar de kerk te gaan.

De grondtoon van deze allegorische fabel is een mengeling van verwondering en weemoed omwille van een langzaam verdwijnende wereld. Andrus Kivirähk laat verbeeldingskracht en maatschappijkritiek hand in hand gaan. In zijn epos wordt de Duitse kolonisatie van de oostelijke Oostzee en de evangelisatie op beeldrijke wijze geëvoqueerd en wordt de draak gestoken met bekende figuren uit Duitse en Scandinavische volksverhalen. Thema's als maatschappelijk fundamentalisme, cultuureigenheid en radicalisme worden middels groteske situaties geparodieerd. Dromen van een ander leven leidt tot niets als je geen berusting vindt in het hier en nu. Maar is alles dan gewoon zoals het lijkt en niets meer? 'De man die de taal van slangen sprak' is een fascinerend en veelgelaagd boek dat je niet snel loslaat. Kivirähk toont zich een begenadigd verhalenverteller. 
Andrus Kivirähk: De Man die de taal van de slangen sprak (Prometheus, 2005) Vertaling: Jesse Niemeijer

Blogtour: de reviews

19 mei: bibman.blogspot.be
21 mei: boekenvlinder.be
25 mei: curledupbook.blogspot.nl
27 mei: hendrik-jandewit.nl
29 mei: petepel.nl
01 juni: verbeelding.org
03 juni: hetkraaienvandehaan.wordpress.com
05 juni: lalageleest.wordpress.com
08 juni: perfecteburenleesclub.blogspot.nl
10 juni: boekenz.nl/
12 juni: laurasbookjournal.wordpress.com